Megalomane nederigheid (Gepubliceerd in BAAZ 20150720 (aangepaste versie 20171006))

Zoals sommige van mijn vaste lezers weten besloot ik op een regenachtige zondagmiddag in 2011, zonder destijds te weten waaraan ik begon,  dat er een Europees museum voor hedendaagse kunst  in de Stedendriehoek Apeldoorn – Deventer – Zutphen moet komen.  Gunstig gelegen in een regio met 1 miljoen mensen tussen de Randstad en het Ruhrgebied. Tezamen goed voor 14 miljoen inwoners. Bij notariële akte werd met twee medestanders een stichting opgericht met de naam ‘European Institute for Contemporary Art and -Science’ (EICAS).  EICAS stelt zich ten doel de positie en ontwikkeling van onderzoekende, vooruitstrevende beeldende kunst in ons land te versterken door onder meer onderzoek, archiefvorming, collectievorming, educatieve projecten, voorstellingen en exposities. EICAS laat zich in het bijzonder inspireren door het werk van de Nul/ZERO-beweging dat, geheel onverwacht, momenteel in de belangstelling staat vanwege tentoonstellingen in New York, Berlijn en Amsterdam. Door deze kunst uit de jaren 50-60 van de vorige eeuw gaan de mensen beter kijken. Bovendien spreekt het mij aan, dat vanuit de Nul/ZERO-beweging een internationale uitdaging groeide tot een interdisciplinaire dialoog en een afspiegeling van de tijd (Japan, Europa, Amerika) waarin alle kunstdisciplines waren vertegenwoordigd: beeldende kunst, literatuur, architectuur, film, theater en muziek. EICAS geeft niet alleen aandacht aan de periode waarin Nul actief was, maar ook naar de invloed die deze beweging tot vandaag de dag heeft op kunstenaars, toegepaste kunst, industrieel design en de digitale media.

Twee dringende vragen werpen zich op: 1. Wie haalt het in deze barre tijden van culturele kaalslag nou in zijn hoofd om een museum op te willen richten? En 2. Wat heeft dit te maken met bedrijfsethiek?  In deze column hoop ik op beide vragen een afdoende antwoord te kunnen geven.  

 Eerst de eerste vraag. Het is verassend (en verheugend) dat er op het ogenblik, ondanks economische crises,  nieuwe musea  als paddenstoelen uit de grond rijzen. Bijvoorbeeld het museum Voorlinden van Joop van Caldenborgh in Wassenaar dat momenteel in aanbouw is; in Gorssel is net het museum MORE van Hans

Melchers op basis van de collectie van de failliete Dirk Scheringa geopend, een dependance in een kasteeltje in Ruurlo volgt. In Wageningen staat Het Depot van de stichting Utopa (Loek Dijkman) met prachtige beelden van Eja Siepman van den Berg in het landhuis Hinkeloord. Kortom, culturele belangstelling van rijke kunstverzamelaars, industriëlen en mecenassen genoeg. Dat is overigens een oud verschijnsel: de meeste grote culturele instellingen in ons land zijn geïnitieerd door een verlichte elite: het Kröller Möller in Otterloo, Boymans van Beuningen in Rotterdam, het Van Goghmuseum in Amsterdam, etc. Ook het Concertgebouw en het Vondelpark hebben we te danken aan de rijke Amsterdammers die de koppen bij elkaar staken.  Je hebt zakelijk goed geboerd en je wil wat terugdoen voor de samenleving. Een lofwaardig streven. Geldt dat nou ook voor mijn EICAS-initiatief. Heb ik goede zaken gedaan en wil ik nu ‘mijn linkse hobby’ gaan uitleven?  Het zou prachtig zijn als het waar was. Als ik mij zou mogen scharen onder de Quote-500 elite, zoals Frits Goldschmeding, Dick Wessels, Joop van de Ende, John de Mol, Charlene de CarvalhoHeineken en vele anderen. Ik ben niet ontevreden over mijn resultaten, maar helaas biedt een juridische adviespraktijk op basis van uurtje factuurtje geen uitzicht op het miljonairschap. Ook het schrijven van columns is geen vetpot, kan ik u verzekeren. Mijn enthousiasme voor EICAS komt voort uit liefde voor de kunst, esthetiek en zuiverheid. Volgens de Griekse filosoof Plato wakkeren 'het goede, ware en schone' het verlangen om goed te doen, de drang naar juiste kennis en de zoektocht naar schoonheid aan. 

Een mooi bruggetje naar de tweede vraag:   Wat heeft dit alles nou te maken met bedrijfsethiek, waar deze columns over gaan. Als je een museum wilt oprichten word je er al gauw van beticht een megalomaan te zijn, iemand die aan grootheidswaanzin lijdt (Dirk Scheeringa wilde niet alleen een museum, maar ook een voetbalclub bezitten. In mijn familie wordt het woord ‘grootheidswaanzin’ soms verbasterd tot ‘hooglandswaanzin’.  Het is dus oppassen geblazen!).  Toen ik met dit project begon was mijn verhaal altijd: “we hebben geen geld, geen gebouw en geen collectie”.  Inmiddels zijn we een paar jaar verder en organiseren we symposia en exposities, publiceren we, hebben we sponsors, ontvangen we als ANBI-stichting schenkingen. Kortom, ondanks het feit dat er nog geen museum staat zijn we op de goede weg. 

In tegenstelling tot de kunstminnende miljardairs, die uit eigen zak een museum kunnen betalen, moet ik voor mijn museumproject voortdurend de boer op. Ik moet op zoek naar en contact leggen met kapitaalkrachtige ’founders’ die het project zien zitten en bereid zijn daarin te investeren. Gewoon ordinaire acquisitie dus. Schenkingen, achtergestelde leningen, laagrentende obligaties.  Als dank wordt er een zaal naar jou of jouw bedrijf vernoemd. Het leuke van deze acquisitie is dat het mij dwingt tot nederigheid en bescheidenheid. Twee deugden die mij als antagonistisch opgeleide jurist niet op het lijf zijn geschreven, maar die voor het welslagen van het project (en voor ondernemen in het algemeen) onmisbaar zijn.  Volgens Van Dale heeft een bescheiden type geen (te) hoge gedachten van zichzelf en gedraagt zich dienovereenkomstig, zonder enige aanmatiging. Nederig en bescheiden zijn lijken in deze ‘dikke ik’ samenleving geen eigenschappen waar je ver mee komt. Toch is dat niet waar. Het valt mij vaak op dat mensen die echt carrière gemaakt hebben en in het leven niet meer zo nodig hoeven, een innerlijke bescheidenheid ten toon spreiden.  Noblesse oblige. 

Wat mij helpt is de onderverdeling tussen deskundigheid en meesterschap, zoals opgenomen in het boek ‘Vrije ruimte, filosoferen in organisaties’ van o.a. Jos Kessels:  ‘De kennis van de deskundige is doelgerichte, instrumentele kennis, zij is een middel om een bepaald doel te bereiken. Praktische wijsheid daarentegen is nietinstrumentele, essentiële kennis, zij heeft te maken met de kwaliteit en de legitimiteit van het doel zelf.’  De houding van de betweterige deskundige die overal een antwoord op heeft, in het probleem van de ander duikt, de ander afhankelijk maakt, heb ik bij mijn acquisitie  laten varen.  Ik laat mij niet  betoveren door de welstand van mijn gesprekspartner. Door mij onverkrampt, belangeloos op te stellen met een houding van vrijheid kan ik hem op hartniveau aanspreken.  Hij staat centraal. Ik ben kwetsbaar en sta met lege handen en riskeer mislukking en afkeuring.  Als deze attitude niet slechts een pose is, maar verinnerlijkt is en je de rust van het meesterschap uitstraalt gaan alle deuren voor je open.  Een wijze les voor iedere ondernemer. 

JH/kh